De Zaak Brunsvelt



     
Een konflikt in de kerkelijke* gemeente van Aalsum-Wetsens in de 17e eeuw.


  Bron : R. de Beer

*) In de oorspronkelijke text staat "geref.".
Om misverstanden te voorkomen moet worden opgemerkt dat na de reformatie alle protestanse groepen gereformeerd protestants werden genoemd en dat de term gereformeerd zoals nu gebruikt, stamt uit 1892 bij het ontstaan van de huidige gereformeerde kerken.
In Nederland behoren de meeste protestantse kerken tot het gereformeerd protestantisme, ook de Nederlandse Hervormde Kerk (oorspronkelijke naam: Gereformeerde Kerk in de Verenigde Nederlanden).
Het woord 'hervormd' is pas in 1816 officieel ingevoerd.
 
Het ligt wel voor de hand om de veelvuldige lokale konflikten bij de kerken der reformatie in deze en de voorgaande eeuw te plaatsen tegen de achtergrond van een rustig kerkelijk leven in de tijd van de Republiek.  Ook toen waren er evenwel vele geschillen tussen predikanten en hun gemeenten.   Vaak is er kennelijk sprake van strijd tussen partikuliere en gemeenschappelijke belangen maar in vele gevallen is de oorzaak van het conflikt voor ons niet meer duidelijk.  Dorpisme en partijgeest, de wijze van beroepen en de meer of mindere geschiktheid ter plaatse van de predikant zullen zeker een rol gespeeld hebben.
&bsp;  Te Aalsum en Wetsens, tot 1631 gekombineerd met Niawier, waren er in 1625 moeilijkheden en ook in 1630.   Dan is het even rustig, maar na de dood van ds. Tammo ab Oosterzee (1652) is het alweer mis.   Op de classikale bijeenkomst van Dokkum op 14 april 1653 komen twee afgevaardigden, de Wetsumer dorpsrechter Reyner Maemes en Meyntze Taeckes van Aalsum.  Zij vragen, of de kandidaat Wilhelmus Suffridi mag worden beroepen. Deze is, zo zeggen zij, bij meerderheid van stemmen gekozen. &nbnsp;Er komt echter heftig protest van ds. Johannes Brunsvelt van Waaksens.  Deze beroept zich op de grietman van Oost-Dongeradeel, george Wilco baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, de bewoner van Holdingastate te Anjum, die ook al geprotesteerd heeft.  Er zijn, zoals wel vaker het geval was, onregelmatigheden bij de stemming voorgevallen.  Reiner Mames heeft ten onrechte lidmaten van Sibrandahuis, een buurtschap oostelijk van Aalsum, laten meestemmen.  De Classis geeft ds. Brunsvelt gelijk en vraagt de grietman een nieuwe stemming te doen houden.  Het gevolg is echter, dat op de vergadering van 31 mei 1653 twee beroepen worden meegedeeld.  Reiner heeft met zijn aanhang opnieuw Wilhelmus Suffridi gekozen, een andere partij de broer van ds. Johannes, n.l. Theodorus Brunsvelt, die op oudere leeftijd theologie was gaan studeren en in 1652 proponent was geworden.  De Classis zit met het beroep, want beide kandidaten blijken evenveel stemmen te hebben.
   Op 23 juni volgt de uitspraak van de Classis.  Ook nu weer hebben lidmaten van het Sybrandahuis meegestemd.   Dit was niet geoorloofd : Sybrandahuis behoorde bij Oostrum-Jouswier.  De pluraliteit der stemmen ging daarmee naar Theodorus Brunsvelt, ergo, deze was gekozen.  Friezen zijn vasthoudend en de dorpsrechter van Wetsens reiner Mames - tevens bijzitter van het nedergerecht van Oost-Dongeradeel - ws een Fries.  De Classis wel twee afgevaardigden benoemen en deze konden de opdracht om Theodorus Brunsvelt te Aalsum c.a. te bevsestigen, ook uitvoeren, de zaak was daarmee niet klaar.  Dat bleek weldra.   Als ds. Brunsvelt op zondag 20 juli 1653 voor de eerste maal te Wetsens wil preken, ontzegt de koster-schoolmeester hem, in opdracht van Reiner Mames, de toegang tot de kerk.  De deur blijkt te zijn gesloten en van de gemeente is niemand te zien.  Brunsvelt doet op 6 en 20 augustus nog eens een poging, echter weer tevergeefs.  Het gevolg is dat de nieuwe dominee op de classisvergadering van 22 augustus een klacht tegen Reiner Mames indient.  De Classis moet nu wel optreden en doet een beroep op de grietman, maar deze begeeft zich klaarblijkelijk liever niet op glad ijs en weigert zijn plicht te doen.
   Natuurlijk laat Brunsvelt het er niet bij zitten en zo onderwerpt de Classis op 7 november 1653 de aanwezige koster-schoolmeester van Wetsens aan een scherp verhoor.  Deze moet wel verklaren, "datde bijsitter Reyner Maemes hem de kaey hadde onthaelt, het luyden van de klocke ende het horen van de predicant Bruynsvelt verboden hadde, ende hij't selve uyt vrese hadde naegelaten.  Ende also hij nochtans geerne Godts woort hoorde, hadde hij de predicatien in de stadt vlijtich bijgewoont".   De Classis gaat het nu hogerop proberen en zendt een deputatie naar Gedeputeerde Staten.  Zo wordt Reiner Mames gedwongen te buigen en eind 1653 kan Brunsvelt eindelijk voor de eerste maal te Wetsens voorgaan.
   De kous was echter nog niet af.  Ook toen was een predikant zeer kwetsbaar.  Als het - gewoonlijk heel lage - traktement niet uitbetaald werd, ontstond er licht een noodsituatie in de pastorie.  Daarvan maakt de Wetsumer dorpspotentaat gebruik.  In de classisvergadering van 6 februari 1654 komt Brunsvelt met een nieuwe aanklacht.  Hij heeft nog geen penning van zijn traktement over 1653 ontvangen.  Bovendien weigeren de kerkvoogden hem de 16 goudgulden terug te betalen, die hij indertijd voor de beroepingsmaaltijd heeft voorgeschoten.  De Classis laat op 16 maart afgevaardigden van beide dorpen met Brunsvelt in de vergadering verschijnen en wat niemand had verwacht, gebeurt : de kerkvoogden gaan door de knien en beloven het gevraagde te betalen.
   Maar weer komt er een kink in de kabel.  De Classis Dokkum heeft intussen een aanklacht bij het Hof van Friesland tegen Reiner Mames ingediend, maar moet tot haar verbazing en verontwaardiging vernemen, dat de procureur-generaal zonder opgaaf van redenen rechtsingang weigert.   Had Reiner Mames machtige beschermers ?  De Classis is solidair met haar collega en stuurt 17 april 1654 twee predikanten naar "Haar Hoogmogenden", waarschijnlijk Gedeputeerde Staten, om over de procureur-generaal beklag te doen.  Weer is het resultaat gering.  Intussen wacht Brunsvelt tevergeefs op de vervulling van de belofte.  De "duiven" in de Classis ontdekken, dat men met vriendelijkheid geen "havikken" kan bekeren.
   Hoewel ds. Brunsvelt voor Aalsum recht heeft op de opkomsten van 48 pondematen land alsmede op 3 goudgulden "ewige renten" van een stukland (vroeger eigendom van Jr. Julius Mockema) en hij voor Wetsens uit 50 pondemaat land huur moet hebben van zijn meier Ruurd Jetses plus de opkomsten van een paar stukken bouwland ("de praestercamp"), krijgt hij door toedoen van zijn vijand Reiner niets.  Weer grijpt de Classis in.  Op 19 juni 1654 worden de kerkvoogden van de gecombineerde dorpen "voor d'laeste maell" gewaarschuwd.  Ook nu kan de Classis echter geen succes boeken. &nbsP;Aan het eind van het jaar gaat er te Aalsum en omgeving een geschrift rond vol schimpscheuten tegen Brunsvelt.  Bij onderzoek blijkt, dat Reiner het heeft opgesteld.  Hij wordt daarom 21 mei 1655 met zijn kornuiten voor de classis gedaagd, maar, brutaal als de beul, keert Reiner de rollen om en beschuldigt hij de Classis van partijdigheid wanneer deze hem duidelijk tracht te maken dat hij zich als ouderling zeer misdragen heeft.   Reiner staat ook niet alleen.  De beide Wetsumer gedaagden Sijmen Rintses en Trijn Jans verklaren te staan voor het stuk, dat zij in de kerk tekenden. Antje Weelts uit Sibrandahuis verklaart zelfs dat zij getekend heeft "zonder te weten wat".   De Classis is wederom machteloos.  Zonder hulp van de grietman kan zij niets beginnen en deze doet alsof de kwestie hem niet aangaat.
   Brunsvelt krijgt er nu genoeg van.  Hij dient bij het Hof een aanklacht in tegen de president-kerkvoogd Reiner Mames en tegen zijn pachter te Wetsens, Ruurd Jetses.  De procureur-generaal grijpt nu wel in en op 27 oktober krijgt de predikant op alle punten gelijk en worden de twee gedaagden veroordeeld tot betaling.  Reiner had echter eenmaal "nee" gezegd en Friezen zijn ook trouw aan het zichzelf gegeven woord.  Op de classisvergadering van 7 juli 1656 - een paar jaar na de bevestiging - is er sprake van de "questieuse onbetaalde maaltijdt" : de schuld is ng niet voldaan.  Een maand later (4 augustus) komt onze dorpsrechter-bijzitter-kerkvoogd-ouderling de heren van de Classis vertellen, dat Brunsvelt geen penning krijgt voor de beroepingsmaaltijd.  De Classis kon wel verklaren dat de 16 goudguldens aan Brunsvelt behoorde te worden gerstitueerd maar Reiner en consorten dachten daar niet aan.
   Hebben de classikale heren toen gebogen ?  In ieder geval gaat Reiner kort daarop tot de aanval over.  In januari 1657 wordt Brunsvelt voor het nedergerecht van zijn grietenij gedaagd.  Hij wordt ervan beschuldigt dat zijn koeien - de dominee boerde klaarblijkelijk zelf te Aalsum en zat dus niet helemaal op een droogje - grote schade hebben aangericht in het graan van een van zijn gemeenteleden, Sijtse Jans.  De procureur-fiskaal van Oost-Dongeradeel, Cornelis Bosman, is een vriend van Reiner Mames en helpt graag mee om Brunsvelt een hak te zetten.  De Aalsumer dominee wordt schuldig geacht en krijgt een hoge boete, namelijk 24 goudguldens.  Reiner triomfeert en voelt zich nu zo sterk, dat hij weigert op de classisvergadering zijn excuses aan te bieden voor de scherpe woorden, die op 21 mei 1655 gevallen zijn.  Alsof er niets voorgevallen is, verschijnt hij zelfs 18 september te Dokkum op de vergadering.  Dat gaat de heren echter net iets te ver : de eer der broeders is geschonden en de meerderheid besluit dat Reiner geen toegang krijgt "voor en aleer hij hem dienaengaende hadde gepurgeert".
   Nu blijkt echter dat Brunsvelt niet helemaal alleen staat.  Reiner Mames is een kleine diktator en sommigen komen tegen hem in verzet.  Tot zijn verrassing krijgt Brunsvelt in augustus 1657, dus vier jaar na zijn intree, de helft van de pastorieopkomsten over 1653 : 229 gulden en 12 stuivers.  Brunsvelt, geroerd, komt nu tot een stap die misschien effekt kan sorteren.  Hij wil zich met Reiner verzoenen en doet op 2 november 1657 op de classisvergadering een voorstel daartoe.   De Classis is zeer voor de vrede en een paar collega's, Hilarius van Ooster-Nijkerk en Samplonius van Dokkum, gaan als kommissie van goede diensten op stap, "ter wechneminge van alle differenten".  Het resultaat is nihil.  Brunsvelt wil wel "yn goedens", maar hij kan ook anders.  Nu Reiner van verzoening niet wil weten dient Brunsvelt een beschuldiging in bij het Hof tegen Sijtse Jans, de zogenaamd gedupeerde boer van Aalsum, en tegen Cornelis Bosman, de procureur-fiskaal van Oost-Dongeradeel.  Ook vraagt hij vernietiging van het vonnis van het nedergerecht van januari 1657.
   Zo komt het tot een rechtszaak te Leeuwarden.  Brunsvelt wordt bijgestaan de advokaat dr. Nicolaas Beilanus en vertelt de rechters wat er alzo te Aalsum en Wetsens is gebeurd.  Hij vertouwt op het Hof en zegt, dat als dit er niet was geweest, "hij liever hadde gegangen ultra garamantos et indos (d.w.z.verder dan de Afrikanen en Indirs) als met soodanige menschen te leven ....".  Sijtse Jans had maar wat verzonnen : de vertrapte haver was helemaal niet van Sijtse geweest maar van Brunsvelt zelf !  Hij had het gewas namelijk gekocht van de Aalsumer schoolmeester Eelcke Outgers.  Ook al doen de twee gedaagden met hun advokaat, dr. Gaspar van Campen, hun best, het lukt niet de verklaring van Brunsvelt te ontzenuwen.   Cornelis Bosman zwijgt en Sijtse Jans begint te schelden.  Wat hem betreft kan de dominee direkt naar het rijk der Indirs gaan, doch "dat evenwel de gemeente Aelsum ende Wetsens niet sonder harder blieven soude".  Het gaat niet zozeer tegen d dominees als wel tegen dze dominee, die nu eenmaal niet de man van hun keus is.  Brunsvelt krijgt gelijk.  Het vonnis van het nedergerecht wordt vernietigd en Brunsvelt ontvangt de destijds betaalde 24 goudguldens terug.

Maar het eind van de strijd is nog niet in zicht.



     
(Een konflikt in de kerkelijke gemeente van Aalsum-Wetsens in de 17e eeuw)


 



Hieronder de figuren
op de hoeken van de grafsteen van
Reiner Mames
in de
Sint Vituskerk.





De jongeling





De man





De oudere man





De dood
 
Brunsvelt onderneemt weer een poging tot verzoening.  De classikale gedeputeerden te Wetsens konstateren dat Reiner Mames "genegenheit" toont om de kloof te dempen derhalve besluit de Classis alvast voorlopig niet tot censuur over te gaan echter, de uiteindelijke verzoening komt niet tot stand.  Want ook nu weer blijkt dat er een machtiger potentaat is dan de mensen.  De dood komt tussenbeide.  Op eerste Kerstdag, 25 december 1658 verwisselt Reiner Mames volgens een grafsteen in de Sint Vituskerk te Wetsens, het tijdelijke met het eeuwige.  De akten van de Dokkumer Classis zwijgen in 1659 over de zaak, maar het blijkt dat, ook al viel de leider, de volgelingen bleven.  De rechten van Brunsvelt op de vrije pastorie worden ook nadien ontkend en al kon men vroeger van weinig rondkomen, Brunsvelt ziet zich zomer 1659 genoodzaakt voor de derde maal bij het Hof van Friesland de strijd aan te binden tegen zijn gemeenteleden.  Op 15 juli 1659 verschijnen in de Kanselarij te Leeuwarden voor de rechter-kommissaris Willem van Vierssen de kerkvoogden van Wetsens en Aalsum, respectievelijk Hessel Lieuwes en Jan Jansen.  Dr. Nicolaas Beilanus fungeert weer als advokaat van Brunsvelt.  Hij dient een verzoekschrift in met een aanklacht in 20 punten.  De advokaat der gedaagden, dr. Arnoldus Bolten, houdt een lang pleidooi maar kan de aanspraken van Brunsvelt niet loochenen.  De rechter gaat alles nauwkeurig na en spreekt als zijn oordeel uit, dat Brunsvelts aanspraken op twee na ontvankelijk moeten worden verklaard.  Het beheer over de "praesterscamp" en de pastorielanden te Wetsens komt hem niet toe.  De twee gedaagden worden gesommeerd "omme den requirant te laten volgen de vrije Pastorye in de dorpen Aelsum ende Wetsens, ende vervolgens acht ende veertich pondematen landts, als voor desen bij de kerckvoogden sijn verhuyrt, ende te boeten de schaeden ende interessen deur't ontberen vandien gehadt ende geleden".
   Brunsvelt vraagt bij die gelegenheid ook aan de kerkvoogden de in vervallen staat verkerende Wetsumer pastorie, waarin de schoolmeester woonde, te herstellen.  Hij krijgt echter niet thuis.  Ook een verzoek van de Classis aan de grietman om te bemiddelen loopt op niets uit.  De grietman verklaart, "dat hij hierin niet conde doen sonder ofte buyten de begeerte ende wille van d'andere ingesetene aldaer".  Weer hokt het.  Op 27 oktober 1660 verklaart het Hof, dat opnieuw te hulp is geroepen, unaniem, de sententie van juli 1659 "well ende te rechte gedaen te sijn".  De opponenten van Brunsvelt moeten betalen.
   En dus .... nee, buigen doet men ook nu nog niet en zo komt Brunsvelt 3 juni 1881 opnieuw bij de Classis met het verzoek de grietman te vragen de Wetsumer kerkvoogden "ex officio" te bevelen hun tegenstand op te geven.  Anderhalf jaar later, als Brunsvelt zijn tweede lustrum te Aalsum achter de rug heeft, is de toestand nog onveranderd.  En dus komt er weer een kommissie van goede diensten, die de gemeente, echter tevergeefs, tot "christelijcke lieffde" tracht te bewegen.  Weer biedt Brunsvelt op de classikale vergadering (5 oktober 1663) zijn gemeenteleden de vrede aan.  Zelfs een kommissie van twee man van het Hof van Friesland, bestaande uit de heren Scheltinga en Vierssen, kan niets uitrichten.
   In 1664 schijnen sommige Aalsumers verzoening te hebben gezocht.  De Classis vraagt op 28 november van dat jaar aan de grietman om de mensen van Wetsens over te halen "om nevens Aelsum" met Brunsvelt een akkoord te sluiten.  Weer weigert Wetsens en ook Aalsum is niet helemaal eenstemmig.  Twee jaar later (1666) komt er alweer een classikale kommissie in de gemeente, die zich beijvert "opdat d'oorsaeck van d'gestadige onlusten in die dorpen tuschen haeren predicant ende gemeente mocht weghgenomen worden".  IJdel ondernemen.  In 1668 is men nog even ver.
   Men zou in het hart van de mensen willen kijken.  Het staat haast wel vast, dat Brunsvelt door de strijd verhard is.  In augustus 1670vertelt hij de Classis dat hij met Wetsens alleen dan een akkoord wil als de vier gerechtelijke uitspaken van het Hof volledig gehonoreerd worden.  De gemeente weet echter evenmin van wijken.  Op 16 mei 1670 komen in de classikale bijeenkomst vier afgevaardigden die er op wijzen, dat Brunsvelt doof wordt en ook niet al te best meer ziet.  Als niets meer helpt, dan kan hij misschien langs deze weg uitgerangeerd en emeritus verklaard worden.
   Wat tot nog toe ontbrak, komt in 1672.  De mensen zijn in het rampjaar wat nerveus.  Men komt tot handtastelijkheden en Brunsvelt, die dan ongeveer 50 jaar is, heeft klaarblijkelijk nog wel kracht in zijn knuisten.  De Wetsumer dorpsrechter Egle Harckes, die in 1659 Reiner Mames was opgevolgd en van hetzelfde laken een pak is, zit er bovenop : een vechtende dominee, dat is een kans !  Gevolg : een ondertekende brief bij de Classis, die de zaak wel moet onderzoeken en dat misschien wat graag ook doet.  Ruzie bij de ander geeft jezelf het gevoel de vrede te dienen.  Op 3 februari 1673 - wij naderen het vierde lustrum van Brunsvelt op zijn terpje - mogen de aanklagers op de vergadering verschijnen.  Er is sprake van een soort dorpsrel en het is wel duidelijk, dat Brunsvelt in geen geval meer schuld heeft dan zijn tegenstanders.   De Classis wil eerlijk zijn en zo staat alles uitvoerig in de notulen met de hand van ds. Abbas Ludinga.  Egle Harckes zegt dat Brunsvelt hem een "kalffdief" genoemd heeft.  Lieuwe Pieters, Jan Sijtses en de opvolger van Ruurd Jetses, de meier Sibe Sierds, bevestigen het.  Wopk Opts zegt zelfs dat de predikant "in contentie met sijn meyer gerackt sijnde, sijn mes uytgetrokken heeft".  Weer een ander, Piter Piters, ondersteunt de verklaringen en weet bovendien te vertellen, dat Brunsvelt "Welmoed Jans, sijn meyers dienstmaeghd eerst de stoel onder de eers weghgehaelt heeft, waermede hij haer daerna geweldigh heeft geknuffelt(!)".  Na dit alles genoten en genotuleerd te hebben, is volgens de scriba "dese vergaderinge met dancksegginge tot Godt geslooten".
   Een dorpsrel, maar je wordt er wel moe van.  Brunsvelt, die zich een maand later mag verantwoorden, komt met een schriftelijke verklaring van een aantal getuigen dcharge, maar de Classis - eerlijk is eerlijk en zo'n rel is toch wel pikant - eist het in persoon verschijnen van deze getuigen.
   Hiervan is niets gekomen en wij zullen niet ver mistasten als wij aannemen, dat Brunsvelt er schoon genoeg van had en tot de conclusie was gekomen dat je beter in alle rust Prediker kon gaan lezen dan meer als herdershond dan als herder in de gemeente rond te lopen.  Ui de acta van 28 april 1673 blijkt dat Brunsvelt emeritaat heeft aangevraagd.  De Classis zal herademd hebben  Dadelijk worden drie predikanten aangewezen om een "stipendium emeriti" bij de Staten aan te vragen.  Alhoewel Brunsvelt nog vrij jong is, aarzelen ook de Staten niet lang en reeds op 16 juni 1673 wordt op de classisvergadering medegedeeld dat Brunsvelt emeritaatspensioen krijgt.  Deze laat er geen gras over groeien.  Al op de 22ste juni neemt hij afscheid.  Wij horen - en het schijnt niet als ironie te zijn bedoeld - dat de ingezetenen van beide dorpen tevoren plechtig hadden beloofd "in alle vriendschap" met hun predikant de nog altijd bestaande geschillen te zullen oplossen.  Dominee verlaat zijn Pathmos ook niet, maar blijft als boer in zijn gemeente werkzaam.

De classikale heren waren nog niet van hun zorgenkind af.



     
(Een konflikt in de kerkelijke gemeente van Aalsum-Wetsens in de 17e eeuw)


     
Op 1 september 1673 moet de gemeente erop worden gewezen dat er geen nieuwe predikant kan komen alvorens men met Brunsvelt tot een akkoord is gekomen.  De gemeente doet alsof haar neus bloedt en beroept een week later de proponent Johannes Coyter.  Wat doet de Classis ?  Precies hetzelfde wat ook de grietman en zovele anderen hadden gedaan.  Ze zoekt de weg van de minste weerstand.  Het beroep wordt onmiddellijk goedgekeurd !
   Brunsvelt zou niet Brunsvelt zijn geweest als hij dit genomen had.  Op 5 januari 1674 wordt op de classikale vergadering medegedeeld dat er een akkoord tussen Brunsvelt en Coyter is gesloten maar niets is minder waar.  Vier maanden later is er zelfs nog geen definitieve oplossing.  Pas op 11 mei 1674 komt op een vergadering te Dokkum, waaraan vier dominees alsmede de afgegane en de pas opgetreden pastor van Aalsum en Wetsens deelnemen, na urenlang overleg overeenstemming en dit houdt een kompromis in : Brunsvelt zal de bijdrage, die de predikant van Aalsum en Wetsens voor de predikantswezen over 1673 moet betalen, voor zijn rekening nemen en krijgt driekwart van de opbrengst van de pastorielanden van beide dorpen.  En nog is men niet uit alle moeilijkheden.  Op de classikale vergadering van 7 september is er weer een brief van Brunsvelt.  Volgens hem moet Coyter de belasting betalen van een van de huizen die tot de Aalsumer pastoriegoederen behoren.  De Classis is het daarmee eens, maar nu komt Coyter in verzet en ook nu weer weifelt de Classis en het gevolg is dat de strijd voortduurt.
   Als Brunsvelt gedacht had het makkelijker te krijgen dan was dat een illusie.  Hij krijgt voorlopig geen pensioen en raakt financieel in de knel.  Tot overmaat van ramp wil de Classis hem wl voor het weduwenfonds laten betalen en begint zij zelfs met de deurwaarder te dreigen.  Brunsvelt was de strijd met zijn gemeente beu geworden.  Nu weigert hij ook in de classikale vergadering te verschijnen.  Een neef van hem, ds. Hermannus Brunsvelt van Nes c.a., deelt 12 april 1675 de broeders mee, dat zijn oom de "viduale penningen" eerst zal betalen "soo haast als hij eenige tractement of huur ontvangen sal hebben".   Klaarblijkelijk beseft de Classis haar tekortschieten.  Zij gaat althans weer met Coyter praten en zo kan dan eindelijk in de classikale notulen worden aangetekend :

Op heden den 23 september 1675 sijn de gecommitteerde broederen D. Samplonius, D. Schregardus,
D. Drenhuijsen en D. Ludinga wederom volgens den last haer van den E. Classe opgeleyt, ten versoecke van D. Theodorus Bruijnsvelt en D. Coyter, bijeen gekomen om de verschillende saecken onder haer te verslechten.  Edoch, eer dat dee uytsprake van de verschillende saeken geschiede, soo is't dat wij, dissiderende persoonen, aennemen om ons met de uytsprake van de E.broederen, oeyt sonder eenige exceptie, absoluyt te laten vergenoegen, tot welkers verseeckeringe wij dese acte met onse gewoonlijcke handen hebben verteeckent.
  Theo. Brunsvelt
Pastor emeritus
Johannes Coijter
Pastor in Aelsum etc.
 

Daarna wordt een aantal voor beide partijene bindende bepalingen opgenomen.  Brunsvelt zal van 1676 af de Wetsumer pastorieplaats belastingvrij als pachter aanvaarden voor de huur van 60 goudguldens, te betalen zolang ds. Coyter de gemeente als predikant zal dienen.  De dominees beloven elkaar geen financile eisen meer te zullen stellen en van alle nog verschuldigde lasten ieder de helft te betalen.
   Na 22 jaar is er dus weer vrede te Aalsum en Wetsens ?  Gelove wie het geloven kan.  Brunsvelt blijft als pachter de pastorieboerderij te Wetsens bewonen en verlaat dus het strijdtoneel niet.  Natuurlijk moet het mislopen en op de classikale vergadering van 8 april 1678 verneemt de Classis reeds dat de strijdbijl weer is opgegraven.  De eerder genoemde neef dient namens zijn oom een rekest in : het is nodig dat de definitief afgehandelde zaak weer op de agenda komt.  De Classis is er niet op ingegaan.  Dus zien we Theodorus Brunsvelt opnieuw in de arena (22 april 1678).  Hij maakt duidelijk dat er nog verschil van mening is, dat zullen de heren ook geweten hebben.  De Classis zegt echter : Val ons niet verder lastig !  Dat is dan het einde van het drame, al zegt het misschien toch iets, dat Coyter het niet lang volhield te Aalsum c.a. en de 15de december 1679 (als beroepen predikant) vertrok naar Ceylon in het verre Indi, waarheen Sijtse Jans destijds Brunsvelt gewenst had.  In de acta van de deputaten van de synode van Friesland betreffende de ontvangsten en uitgaven ten behoeve van de predikantsweduwen wordt Theodorus Brunsvelt in de jaren '80 vermeld als de enige "emerito" onder de 36 predikanten uit de Classis Dokkum, de laatste maal op 21 februari 1684 ; wij mogen aannemen dat hij in de loop van dit jaar is overleden.



terug