|
Van Æmcke Jaerla is vermeld dat hij grietman van Bergumerdeel is geweest, op een stins in Bergum heeft gewoond en in 1529 aldaar
is overleden. Hij behoorde tot de partij van de Hertog van Gelder die van november 1514 tot 1523 het bestuur over dit gewest aan
de Saksers (tot juli 1515) en de Bourgondiers (tot in 1523) betwistte. Echter in 1520 is hij overgegaan tot de Bourgondische
partij. Æmcke was een man van buitengewone lichaamssterkte hetgeen moge blijken uit het feit dat hij zonder enige moeite
een ton bier en daarbij onder elke arm een grote koeiekaas droeg van Bergum naar zijn stins die op flinke afstand van het dorp lag.
Hij overleed kinderloos in 1529, waarna zijn stoffelijk overschot aanvankelijk te Bergum werd bijgezet, maar later naar Hantumhuizen
werd overgebracht. Eelck, dochter van zijn broer Botte en getrouwd met Minne van Eminga, werd zijn erfgename. Æmcke heeft zich
nooit goed kunnen neerleggen bij het feit dat de voorvaderlijke state als leengoed aan de kroon was vervallen. Verschillende
processen zijn gevoerd en in 1527 heeft Æmcke nog geprobeerd een verdrag met de Martna's te sluiten maar zonder succes.
Tien jaar later deed Minne van Eminga namens zijn vrouw Eelck Jaerla, nog een poging en men lijkt tot een schikking te zijn gekomen
in die zin dat Groot Jaerla ofwel het Jaerlahuis aan de Jaerla's in eigendom is toegewezen terwijl Klein Jaerla als leen aan de
Martna's bleef behoren. Groot Jaerla was in 1537 20 pondemaat groot, later in 1640 70 pondemaat groot. Klein Jaerla was in
1537 80 pondemaat groot en in 1640 85 pondemaat. Merk op dat Klein Jaerla daarbij groter was dan Groot Jaerla. Klein
Jaerla is nooit meer in het bezit van de Jaerla's gekomen. Na de afzwering van Spanje's Koning Philips in 1581 is de leen
overgaan op de provincie, die telken bij iedere nieuwe belening een zeker bedrag inde. Alzo bleef Klein Jaerla in het bezit van
de Martna's en behoorde later als zate aan de Van Aylva's. De oorspronkelijke Jaerla State werd na het overlijden van Minne van
Eminga (in 1541) en zijn vrouw Eelck van Jaerla (in 1557) werd geërfd door hun zoon Botte, die met zijn vrouw Syts Tjaerda de
state bewoonde en die na hun overlijden (omstreeks 1572) in de kerk van Wetsens werden bijgezet. Minne, de zoon van Botte en Syts
Tjaerda, bewoonde zijn vrouw Luts van Dekema de Jaerla State. Hij werd meestal aangeduid als "Minne thoe Jarla".Hij overleed in
1598. Echter op 12 februari van dat jaar heeft hij een ztestament gemaakt waain o.a. enkele bepalingen voorkomen ten voordele van
zijn schoonzus Anna van Dekema die tijdens de ziekte van haar zuster (overleden in 1595) gedurende lange tijd de huishouding heeft
waargenomen. Deze Anna van Dekema kreeg behalve enige roerende goederen ook een stukje land te Jellum en het recht om nog een jaar lang
na zijn dood de Jaerla zate, state en landen te Wetsens gratis in gebruik te houden. Daar hij kinderloos overleed heeft hij de
eigendom der state vrij zeker vermaakt aan zijn volle neef Pijbe. In 1640 is zijn weduwe Perck van Roorda als eigenares
aangeduid. Of zij er daadwerkelijk gewoond hebben is niet zeker omdat in 1608 Haio van Rinia er verblijf hield die in 1627 grietman
werd van Kollumerland. Een van Pijbe's kleindochters, Thecla Maria van Aggema, was getrouwd met Wijbrandus de Laignier. Zij verkeerden in
slechte financieele omstandigheden daar in het stemcohier van 1689 niet zij, maar hun crediteuren als eigenaars van Groot Jaerla worden
opgegeven.
Het enige dat ons nu nog aan de Jaerla State herinnert is, behalve de vroegere ligging, een vaart bij Wetsens genaamd het
Jellegat ofwel Jarlagat ofwel Jarlasloot en een weg in Wetsens, de Jaerlawei.
|