|
Minne's zonen Botte en Ĉmcke waren dus erfgenamen van de voorvaderlijke state. Botte woonde op een state te Bergum
en Ĉmcke op de Jaerla State te Wetsens. Echter na het overlijden van Botte is Ĉmcke in Bergum gaan wonen.
Botte is getrouwd met Jildu Hettes van Albada uit Poppingawier en zij hadden een dochter Eelck. Zijn broer Ĉmcke
trouwde met Bouwe Houwerda (onduidelijk is of zij uit Groningerland kwam of uit Oostdongeradeel). Daar zij kinderloos bleven
kwam de Jaerla State aan Eelck.
Het jaar 1498 was voor de twee broers een zeer onrustig jaar. Beiden behoorden tot de
partij der Vetkopers en waren dus tegenstanders van Hertog Albrecht van Saksen die door de Schieringers werd gesteund. Dezen
vielen omstreeks juli 1498 Oostergo binnen en onderwierpen het geheel zonder veel tegenstand te onmoeten, behalve dan van de stad
Leeuwarden en Ĉmcke Jaerla die toen op de Jaerla State te Wetsens woonde. Het is duidelijk dat Ĉmcke niet in de goede
boeken van de Hertog stond en ook zijn broer, hoewel deze in Bergum woonde moest ook hij het ontgelden. Op de avond van de 22e juli
1498 gingen enkele Saksischgezinde Friese edelen en gezelschap van vele Saksiche edelen met twee honderd manschappen te paard naar
Bergum, waar zij Botte Jaerla met twee en twintig huislieden gevangen namen. Van de gevangenen werd er een doodgeslagen en de
anderen werden in de boeien geslagen in Sneek. Dit omdat Botte en zijn huislieden niet achter de Hertog van Saksen stonden
maar ook vanwege Ĉmcke Jaerla die zich met kracht tegen de nieuwe heer verzette. (Botte ende die huysluyden voorsz. niet waeren
concordeert met die heer alsook om Ĉmcke Jaerla wille) Ruim twee maanden later moest het huis van de Jaerla's te Oostrum -
het Ryntiemahuys - het ontgelden. De toenmalige eigenaar en bewoner was Gielt, de zoon van Rienck (broer van Botte en
Ĉmcke). Op 29 september gingen onder anderen de Saksischgezinde Schelte Tjaerda van Rinsumageest en enige andere edelen
uit Oostergo naar Oostrum om de stins in te nemen. Gielt en zeven of acht anderen werden gevangen genomen en Taecke Heemstra
bezette het huis met enig krijgsvolk. Toen was kwam de Jaerla State te Wetsens aan de beurt. Ook dit huis werd door Taecke
Heemstra en Tjaerda en Hessel en Doecke Martna en enig krijgsvolk aangevallen. Ĉmcke zelf was niet aanwezig, er waren
slecht twaalf a dertien man aanwezig om het huis te verdedigen, echter toen de belegeraars op het huis begonnen te schieten verlieten
de verdedigers het huis in de nacht. Hiermee was het verzet van de Jaerla's tegen het Saksisch bewind voorgoed gebroken.
Op de lijst van januari 1505 die de namen bevatte van Friese edelen die Saksische overheerser trouw hadden gezworen, komt wel de
naam van Botte Jaerla als edelman in Tietjerksteradeel (te Bergum) voor maar niet die van Ĉmcke Jaerla. Botte is voor 1510
overleden en Ĉmcke is daarna, zeker in 1511, in Bergum gaan wonen. In Wetsens kon hij niet meer wonen daar hem het eigendom
van de Jaerla State was ontnomen. Op 9 november 1498 gaven Wilbolt van Schaumborch, ridder, opperbevelhebber van het Saksisch leger,
en de andere gedelegeerden van Albrecht Hertog van Saksen in Friesland, te kennen dat zij aan "onse leive ende getrouwe vrienden"
Hessel en Doecke Martna en Schelte Tjaerda, wegens hun getrouwe diensten den Hertog bewezen "ende oick omme die sware ende onverdagelijke
costen ende lasten die zij gedaan ende geleden hebben in 't concquestreren van den huyse ende starkte, geheeten het Jaerlahuys, 't
welck een geheeten Ammeken Jairle gehouden contrarie den Hertog van Saksen, - aan hun drieën bij gelijcker porcie" het verbeurd
verklaarde huis hadden toegewezen, "behoudelijck dat zij 't selve huys ende erve gehouden sullen zijn in 't ontfanc ende te verheffen
van onzsen voinsz. genadigen heren als zijnre gnaden Leen." M.a.w. aan Hessel, Doecke Martna en Schelte Tjaerda is het
Jaerlahuis toegewezen, wegens hun trouwe dienst aan de hertog bewezen, en ook wegens hoge kosten en lasten die zij geleden hebben
in het veroveren van het huis - het Jaerlahuis - waar Ĉmcke Jaerla woonde die tegen de Hertog van Saksen was. Zij en hun
erfgenamen bekomen het echter als leengoed en de belening was aan de vorst. Het leenstelsel zoals dit elders bestond hebben de
buitenlandse overheersers nooit in Friesland kunnen invoeren, echter waren er wel enkele bijzondere goederen die wegens bijzondere
oorzaken door de vorst moesten worden beleend, zoals de Jaerla State, de Hemminga State te Beetgum, de Broersma State te Kollum en
de Jeppema State te Nijkerk (Ferw.deel). Wat de Jaerla State en de Jeppema State kan worden opgemerkt dat onder die belening
een familie- c.q. verervingskwestie schuilde, waarbij de verongelijkte partij zich aansloot bij de vorst van Saksen en zo doende met
gunstig gevolg kon optreden tegen de tijdelijke bezitter.
Even terug de stamboom bekijkend, Minne had een broer Gabbe die met
Jouck Martna was getrouwd en die o.a. een dochter Auck had. Welnu, er werd door de Martna's beweerd dat Auck haar goederen had nagelaten
aan haar grootvader Sytze Martna. Deze nu zou bij testament hebben bepaald dat zijn zoons Doecke en Hessel en hun zus Jouck
(en later haar dochter Kinsck die getrouwd was met Schelte Tjaerda, hierboven al genoemd), gelijkelijk zouden erven. Maar
Ĉmcke Jaerla, als naaste erfgenaam, had de erfenis al aanvaard en hiertegen kwamen de erfgenamen van Sytze Martna op en zij deden
dat op de oude Friese manier, namelijk door Ĉmcke met geweld van de Jaerla State te verdrijven. Daar Ĉmcke fel tegen de
Saksische regering gekant was, viel het de Martna's niet moeilijk de bevelhebber over te halen aan de verdrijving van Ĉmcke mee te
werken. En zo is dan, als boven verhaald, geschied.
|