Wetsens








Het testament van Minne Jaerla


"Cranck fan Licham" zijnde maakte Minne Jaerla in 1494 op St Fredericus dag, dat is 5 maart, want er is niets zekerder dan de dood en niets onzekerder dan het uur er van (datter niet seekerder is dan die doot, en niet onsekerder dan die ure des dodis). "Int eerst biveel ic myn ziel God Almachtich, ende den Heylige Vrent Godis Sinte Bernardus." Minne moest een graf bereid worden in klooster Sion. Daarom schonk hij dit convent alles wat de gewoonte was terwijl hij aan iedere bewoner (bewoonster) iets vermaakte. Onder de nonnen behoorden o.a. zijn dochter Riska en zijn twee zusters en zijn nicht Heelka.

Aan St Vitus, den patroon der kerk te Wetsens werd een jaarlijkse rente toebedacht die steeds door de bezitter van het "Jarle huus" moest worden uitgekeerd. Hij was aan de patroon (lees : kerk) 25 arens guldens schuldig in betaling waarvan hij aan de kerk twee missalen (misboeken) schonk. De een van perkament, de ander van papier. Ook vergat hij zijn biechtvader de heer Peter niet, deze kreeg een zeker geldbedrag.

Ann de kerk gewijd aan St Vitus te Oostrum was hij 10 of 11 jaar huur schuldig van drie pondemaat land gelegen in de Renthiama kolk te Jouswier. Hier vermaakte hij vijf gulden rente.

De abt van Dockum en zijn priesters schonk hij twee tonnen Bremer Bier en twee goudguldens.

Verder waren er enkele legaten zoals aan :
die Custerije te Dockum,
ons lyf frouw to Bergh (het kloosteruithof Sionsberg),
het klooster Waert onder Morra,
die Custerije te Morra,
aan Maria-garde (het klooster Mariengaarde onder Hallum).
Aan de verschillende priesters van deze stichtingen werd opgedragen dertig zielmissen voor de overledene te lezen.
Ook twee kloosters in Leeuwarden werden bedacht waar, zowel voor hem als voor zijn overleden broer Gabbe en hun voorgeslacht, dagelijks tot "ewighe memory" zielmissen moesten worden gelezen.

Dan volgen legaten aan familieleden. Aan "Suiwart Gabbaz" - Sjurt, Gabbes zoon, vermaakte hij enig land onder woorwaarde dat hij aan zijn zuster Lyns een zekere rente moest betalen. Zij beiden zouden al het roerend goed hebben dat van hun vader afkomstig was en door Minne was geëfd.
Aan zijn "spoelkint" Sibet, die hij verwekt had bij zijn "maecht ofte Huusfrouw", Griet genaamd, vermaakte hij enige renten uit een bezitting te Lioessens, terwijl hij Sibet's moeder op het hart drukte, dat zij hem, Sibet, goed moest "bewaren, voden ende cleden" , waarvoor die renten bestemd waren.
Aan Griet zelf liet hij vier koeien na, twee deventer stoelen en vier bankkussens - twee nieuwe en twee oude - en twee kussens alsmede een koperen pot en een ketel (die menste noch die beste - niet de minste maar ook niet de beste). Verder nog het linwerk "dat er in de koken is, dat dagelix ghebruket wort" en een tinnen kan.
Kwam Sibet voor zijn moeder te overlijden dan mocht Griet alle goederen behouden anders moest Sibet al deze goederen erven.

Tenslotte benoemde hij tot erfgenamen voor de rest van zijn nalatenschap zijn zonen Botte en Æmpcke. Aan hen werd opgedragen dat hun zusje Rixt, zo zij in leven bleef, in een klooster werd geplaatst. Dit is later ook gebeurd, zij werd non in klooster Sion. De andere zuster Gapke zou niet in een klooster gaan (sal in die warlt bliven) tenzij Rixt kwam te overlijden. maar dan hadden de broers de keus of zij Gapke wel of niet in een klooster zouden plaatsen.

Minne benoemde Sibet Scheltema, Pibo Ropta en Tjaerd Narle (of Jarle maar dan Jaerla) tot voogden over zijn minderjarige kinderen, maar Sibet Scheltema als principaal. Hem werd opgedragen om gedurende zeven jaar zijn nalatenschap te beheren en te zorgen dat zijn twee zoons zouden studeren en als goede mensen door het leven zouden gaan. Wat Sibet in die zeven jaren aan de nalatenschap mocht verdienen, dat mocht hij het zijne noemen en hij hoefde de erfgenamen daarover geen verantwoording af te leggen, wel van de nalatenschap zelf. Bovendien vereerde hij Sibet met zijn paard, zadel en toom en harnas dat in huis was. (Hinxt mith sael ende toem en dat Harnis als in den huze is).
Aan Tjaerd Narle liet hij na "Kempe Roepers Hinxt mith sael ende toem ende mith eenen creeft (?)".
Andere personen kregen zijn "Beijers entervoel" (eenjarig veulen), zijn "brun-roet entervoel" (eenjarig roodbruin veulen) en zijn "enter stier" ( eenjarige stier).
Mochten er problemen zijn over de bepalingen van dit testament dan lag de beslissing bij Sibet Scheltema, Tjaerd Narle en de abt van Dockum.
Als men Minne een boete schuldig was, dan werd de helft kwijtgescholden en de andere helft "sullen sij geven in die Kerke daer sij wonen".

Minne had onenigheid met de heer Thomas, pastoor te Oostrum en de inwoners van dat dorp. Tot scheidslieden benoemde hij de abt van Dockum (Johannes Duivelandt) tevens deken of rechter in geestelijke zaken, Heer Hiddo (heer Hidde Cammingha, pastoor te Anjum ?), Meester Gabbe en Heer Hemmo ( twee geestelijken).
De pater procurator van het klooster te Bergum en de pastoor van Bergum en Scheltema en Naerla droeg hij op de twist te beslechten die bestond zijn kinderen en de kleinkinderen van TTaecke Cammingha.

Indien zijn zoons Botte en Æmpcke zonder echte kinderen kwamen te overlijden dan zijn dochter de Jaerla State niet erven. Het kwam dan met 25pondemaat land te Oostrum toe aan Tjaerd Naerle. Stierf echter ook deze zonder echte kinderen dan verviel het aan een van zijn broers die hij het het best gunde.
Geert en zijn "Ruter" kregen nieuwe Leidse kleren van kop tot teen en schoenen.
Zij die wat te betalen hadden of te vorderen konden dit opgeven aan Scheltema die dit naar behoren moest afhandelen.

Dit testament werd opgemaakt in het bijzijn van zeven getuigen die het moesten bezegelen. Daar echter alleen Heer Kempo, pastor te Jouswier, een zegel gebruikte verzochten de anderen de pastoor het ook voor hen te willen bezegelen, hetgeen geschiedde.



Kanttekeningen.

Sion bij Niawier was een rijk klooster van Cistercienser nonnen. Gesticht omstreeks 1200.
Het heette O.L. Vrouwe ten dale (Vallis beatae Mariae in Syon).
Een uithof van dit klooster heette O.L.Vrouwe ten berge en was gelegen op een terp aan de Ee bij Dockum.

Kempe Roeper was eerst in krijgsdienst en speelde later de verrader waarvoor hij op 17 november 1513 te Leeuwarden werd onthoofd.



  vorige pagina vervolg pagina