|
Omstreeks 1400 was de mannelijke lijn der Jaerla's uitgestorven. Er was nog een dochter die met ene Rienck Rienckama getrouwd was en
zij woonden in Oostrum. Rienck noemde zich niet alleen Rienckama maar ook wel Jaerla. Zij hadden twee kinderen, Gabbe en Eels - die
zich aanvankelijk Rienckama noemden maar later Jaerla -, en die elk trouwden en weer kinderen hadden. Gabbe had een zoon Botte en Eels
een dochter Anna Bolta.
Gabbe en Anna Bolta trouwden met elkaar hoewel zij volle neef en nicht waren. Zij waren de eerst bekende bewoners van de Jaerla State
te Wetsens omstreeks het midden der 15e eeuw.
Botte Jaerla behoorde tot de vredelievende edelen uit Oostergo die in 1444 pogingen
deden om een verbond te sluiten met de stad Groningen teneinde de rust en vrede in deze streken te herstellen. Dit verbond kwam tot
stand op St. Marcusdag (25 april) van het jaar 1444. Zo kwam er een eind aan de voortdurende moordpartijen en plunderingen van de
twistende partijen, de Schieringers en de Vetkopers.
Uit dit huwelijk zijn 4 kinderen geboren, waarschijnlijk 5. Met name Rienck, Gabbe, Minne, Doedt, Bauck en waarschijnlijk ook IJdt.
IJdt leefde omstreeks 1450 en is getrouwd geweest met Barthold Tjaerda.
Bauck, daar is niets van bekend.
Doedt trouwde met de befaamde Ofcke van Dockum die eigenlijk Ofcke Riemersma heette. Deze heeft om staatkundige redenen in 1470
Friesland moeten verlaten.
Minne en Rienck komen komen later nog aan bod.
Nu eerst Gabbe.
Gabbe leefde in de tweede helft van de 15e eeuw en trouwde met Jouck, dochter van Sijtse Martna (heerschap te Kornjum) en
Jel Harinxma thoe IJlst. Gabbe en Jouck woonden op de Jaerla State te Wetsens. Zij kregen drie kinderen, Auck (of Anna), Sjurt en
Lyns. Gabbe was een Vetkoper en zeer strijdlustig. Op 22 september 1474 ontmoette hij met enkele bevriende edelen in Dockum de
Schieringer edelman Ede Hessels van de Tjaerdastins te Rinsumageest. Zij vielen hem aan en sloegen hem dood. Een neef van Ede
Hessels, ook Ede geheten en wonende in Eysinga Huys te Rinsumageest wilde zich wreken.
Op een nacht ging hij met twee schepen waarin de nodige mannen waren verborgen, naar Dockum. In de stad werd de aankomst van de
schepen opgemerkt en gingen enkele mensen en soldaten naar de oude brug waar ook Gabbe Jaerla met vier of vijf knechten verscheen.
Ede en zijn mannen hadden zich verborgen in een huis dat op de oude brug stond. Zonder dat men hem opmerkte, zag hij zijn vijanden
op de brug komen. Hij zei toen tegen zijn mannen : "Siet ! hier coemen ze, daer ik hierom ben gecoemen; weest nu mannen van moede
ende volcht mij nae". Daarop viel Ede en de zijnen de Vetkoper edelen aan die, verrast door dit plotseling verschijnen, de vlucht
namen richting kerkhof. Gabbe Jaerla en Sybeth Scheltema werden gevangen genomen en op de Tjaerdastins gevangen gezet.
Veertien jaar later, in 1488, liet Gabbe op trieste wijze het leven. Syds Botnia was toendertijd eigenaar en bewoner van de
Tjaerdastins. Hij was getrouwd met de dochter van de overleden Worp Tjaerda, een Schieringer en dus vijand van de Jaerla's.
De vijandschap was erg groot zoals blijkt uit een bericht van 1488 dat "Sydts Bottinga knechten" Jaerla doodsloegen bij het Hessel
Humalda Huys te Ee.
Gabbe's dochter Auck trok zich dat zo aan dat zij ernstig ziek werd en spoedig daarna overleed.
Gabbe had de Jaerla State nagelaten aan zijn broer Minne.
Minne was met Doedt Olfinga getrouwd en heeft de State vrij zeker bewoond.
Minne en Doedt hadden zes kinderen, te weten : Reynsk of Riska en Rixt - beiden non geworden in het klooster Sion bij Niawier,
verder Frouck die voor 1494 is overleden, verder Gapke of Gabeck die in 1511 nog leefde maar ongehuwd is overleden en dan nog Botte
en Æmpcke. Ook had Minne bij een zekere Griet nog een "spoelkind" ofwel natuurlijk kind dat Sibet heette.
Verder is van Minne bekend dat hij in 1491 als grietman van Oostdongeradeel tot de edelen behoorde die in dat jaar een verbond met
de stad Groningen sloten. In 1490 was tot dat doel op de vrijdag voor St. Thomas (21 december) een volmacht gegeven door de
"hoofdlingen of hofmeesters by der oosterzyde der Pasen op Omren, hofmeyster te Sion en Mynne Jarla". Op "St. Lambertusdach"
(17 september 1491) werd dit verbond tussen Groningers en Oostergo tot stand gebracht, waarbij Minne optrad "vander stadt ende
meente toe Wetsens ende toe Oestrum."
Bron : mr A.J. Andreae, Jaerla State te Wetzens.
|